Acht postkaarten van Taalkundig marmer (2)
Essay
|
05 November 2009 | 22:50:32
(v) Dal
Er is een klimmer naar zijn
god gevallen
met noodoproepen en een
laatste woord.
Zijn naam stortte voorgoed uit onze mond.
Jij droeg hem in je handen
tot de klank
te dun werd om te wegen op
een huid.
Tussen je vingers door gleed hij vaarwel,
werd tot een slagboom in je
hoofd.
Groen ligt zijn taal nog in
je uitgezaaid,
gewrongen met zijn wortels in je wezen.
Het legt je krom over de
kiezelstenen
waarvan er geen voldoende
hoogte wint.
Rood staat de bergwand op
tegen zijn top.
Diep buigt het blauw je ogen
uit.
Nadert het zwart dat nu nog
hemel heet.
‘Dal’ blijkt een letterlijk dieptepunt, maar taal wordt hier prachtig
gesmeed, uit het diepste van een wezen, een dode die woekert in een levende:
‘Er is een klimmer naar zijn
god gevallen
met noodoproepen en een
laatste woord.
Zijn naam stortte voorgoed uit onze mond.’
De klimmer is naar zijn god gevallen, met noodoproepen en een
laatste woord. In drie regels wordt hier die korte pijnlijke geschiedenis uit de doeken gedaan. De dode in de
doeken en begraven. Ook de naam blijkt voorgoed uit de
monden gestort. Ik vind deze strofe in al haar beknoptheid uitblinken. Het is
ook het enige gedicht waar er een regel aanhangt, gescheiden. Misschien als een
soort laatste eerbetoon.
Vorm en inhoud die nog proberen iets samen te houden.
Ook strofe twee legt hier die dunne deemsterige klank op een huid,
en roept op een zeer beeldige manier op hoe er later naar zal worden gekeken, hoe
de gevallene later zal herdacht worden: ‘werd tot een slagboom
in je hoofd.’
Zoals herinneringen opkomen en weer verdwijnen, zoals treinen hun
fluitsignaal soms stomend laten horen, zo plots, zo duikt het beeld van pijn soms weer op, als een
slagboom in je hoofd, waardoor denken even niet meer kan, tenzij stilstaan en terugdenken.
Die pijn zit trouwen in een regel die de klim verder wil laten
gaan, maar dat lukt blijkbaar niet helemaal in ‘Het legt je krom over de kiezelstenen / waarvan er geen voldoende
hoogte wint.’
Een verdomd gedurfde samentrekking.
Er duiken kleuren op: avondrood tegen de bergwand op, beetje
bloederig, hemelblauw verlaat de ogen, die verleidelijke warme kleur van ogen
en wolken, en zwart legt de nacht klaar. Heel het gedicht wordt er donker van.
Zo donker dat de woorden geen taal meer vinden, en bijna verder moeten op de tast.
(vi) Vlak
Wanneer de wolken
overdrijven, blijven
de woorden dreigen in mijn ogen.
Stormenderhand gaat het papier
omver.
Het brandt mij in de mond,
maar geen
geluid kan mij nu redden van
de woeste
handen, die taal mij voor de kiezen
sleuren en mij kerven in de
tong.
De dode letters van een naam,
een stenen
plaats voor zware voeten, zwerverspad
dat scherpe pieken zinloos
rondt, het dolen
om een sneeuwspoor voor het neerslaan kan.
Viervoudig vallen in het vlak
betekent
nooit meer vliegen, altijd
vreemd zijn
voor de stem die alleen jij
herkent.
Dit zou de vlakte kunnen zijn die bereikt wordt na een klim.
Evenzogoed is ‘vlak’ een gemoedstoestand waarin de heftigheid van wat werd
meegemaakt, probeert te gaan liggen, tot rust te komen. Hier probeert de
dichter, zijn naam waardig, wat er op papier wil. Niets dus, en toch weer
alles:
‘Het brandt mij in de mond,
maar geen
geluid kan mij nu redden van
de woeste
handen, die taal mij voor de kiezen
sleuren en mij kerven in de
tong.’
Hij kiest zijn taal niet meer. De taal kiest hem op een prachtige
woeste manier. Het brandt hem in de mond, en kerft zijn tong. Handen die
hopeloos proberen of taal niet wil gaan liggen. Nee, die wil niet.
Bitter kan niet anders dan toezien hoe dit hele gedicht in een soort woedeaanval
terechtkomt, en het enige wat de dichter nog kan is zoeken naar de vorm om het allemaal
een beetje onder controle te houden. Dat lukt met zoveel moeite dat ik er
moeiteloos en ademloos zit naar te kijken. Nee, luisteren is een beter woord. Dode letter
van een naam wordt een stenen plaats voor zware voeten, een plaats met pijn aan de voeten, een zwerverspad dat scherpe pieken zinloos rondt, een herinnering die altijd opdoemt, en die door zinloze
gedachten en door tijd minder scherp worden. Maar het
beeld blijft hangen, blijft dolen als een sneeuwspoor, voor het neerslaan kan.
Dit is taal gemaakt van ruwe bergschoenen, haken en ogen, en touw
wat in zijn meeste verwarde knopen niet los meer komt uit mijn lezing.
Vliegen is er niet meer bij, alleen vreemd zijn, vreemd blijven!
Het is taal die op haar beurt niet meer los wil komen van het
blad. Gebeiteld als een berghaak door mijn leeservaring.
Ik hang.
(vii) IJl
Rotsvast geloof in wat het
pad omhoog
zou moeten zijn, toonde ik
nooit. Mijn voeten
treuzelden altijd als er
wolken waren.
Ik keek hen aan, wachtend met
open handen.
Op hun gewicht leek
onweerlegbaar spoor
van woord zijn slingerlint te leggen,
de hoogte dichterbij te
brengen dan ik dorst.
Tienduizend stappen hoger
hadden noordwanden
zich tussen ons geplaatst met
harde eisen.
Een goede plek om van de zwaartekracht
te proeven met een mondvol
eeuwigheid.
Glijden waar zweven wenkte,
hellingpuin
ging aan de val vooraf, tot zwijgen
ben ik vol in de rug geraakt.
In gedicht VII is het rotsvast geloof over, voorbij. Het gaat
niet alleen over de tocht die verder moet, omhoog, maar ook over het geloof in
de grote god, de almachtige. Prachtig hoe Bitter hier zijn ongeloof belijdt:
‘mijn voeten / treuzelden
altijd als er wolken waren’
en vervolgt het hogere in de twee betekenissen des woords met open
handen, een beetje als ‘wachten op Godot’:
‘Ik keek hen aan, wachtend
met open handen.
Op hun gewicht leek
onweerlegbaar spoor
van woord zijn slingerlint te leggen,
de hoogte dichterbij te
brengen dan ik dorst.’
Maar het woord van boven wil niet. Althans niet duidelijk, want hun gewicht
werd verstoord door een slingerlint van vermoedens. Die hoogte kwam nooit dichterbij
dan ik dorste, Er gaat zoveel dorst uit van dat
laatste woord dat ik er bijna de roepende in de woestijn in lees.
Maar tegelijkertijd vloeken de woorden een beetje
boos, foeterend op de hogere krachten die een bergwand tussen hem en de dode
aanbrachten, een ‘noordwand met harde eisen’. Dat is wat die onbeklimbare wanden doen. Dat is wat het leven
uiteindelijk doet: onbeklimbare rotspartijen tussenin plaatsen,
moeilijk doen. En hier komt de bijna overslaande stem van de dichter in taal
vantussen zijn tanden gekraakt: ‘Een
goede plek om van de zwaartekracht / te proeven met een mondvol
eeuwigheid.’
Het lijkt alsof Bitter nog even naar boven spuwt. Maar hij kan
alleen maar in zijn pijn blijven steken ‘tot
zwijgen / ben ik vol in de rug geraakt.’
Hier helpt geen verpleging meer tegen.
(viii) Kaart
Negen bekenden kijken naar de
lens
en daar doorheen het hoge achterland
in, aan de wegzakkende zon voorbij.
Zes achternamen bleven bij
adres,
woonplaats, een paar maal
telefoon
en daarna gruis, verlies van
scherptediepte.
Zwijgen en vergeten blijven.
Een voornaam werd gezicht, kreeg huid
en warmte in mijn handen,
maar al snel
de stem van misverstand,
omdat ik in
haar mond het antwoord dacht van jou.
Tussen ons in de leegte van
wie nooit meer spreekt.
Niemand kwam dichterbij en
wist het niet.
Niemand bleef verder weg van
wie je werd.
De laatste ‘kaart’ wordt uiteindelijk gelegd, die laatste poster, een beetje mooi landschap
uitproberend, met zon. Toen waren ze nog met negen, gaat een stiekem riedeltje
in mijn achterhoofd.
In die tweede strofe zie je Bitter al even bitter terugkijken naar
het verleden, en wat er van die tocht uiteindelijk is overgebleven: veel tocht!
‘en daarna gruis, verlies van
scherptediepte.
Zwijgen en vergeten blijven.’
Zwijgen en vergeten blijven. Dat is wat er overblijft van de mens,
de mensheid. En toch duikt daar weer dat ene gezicht op, dat ene gezicht dat de
tocht vergezelde, dat liefde droeg als naam, zij ‘kreeg huid en warmte in mijn handen’. Helaas bleek de liefde, in
al die verwarring, al even onmogelijk te kunnen blijven voortbestaan. Die
werd in een andere persoon gezocht, het antwoord van de ene, bij
de andere.
Het antwoord moet ‘ja’ geweest zijn, maar kwam helaas een beetje uit een verkeerde
mond. En wat blijft er over in al die verwarring:
‘Niemand kwam dichterbij en
wist het niet.
Niemand bleef verder weg van
wie je werd.’
Het zijn majestueuze regels van vergankelijkheid, van verlies, van
taal die een laatste klaroenstoot uitprobeert, en merkt dat het mondsstuk
volledig ontbreekt. Ook de regels breken prachtig, niemand kwam tot de ander,
maar dat hadden we niet in de gaten. Niemand bleef verder weg van wie je werd.
Dit laatste is een samenvatting van je eigen zure leven. Iedereen werd iets,
werd iets anders, werd anders.
Met al zijn materiaal, als een goed uitgeruste en voorbereide klimmer
ging Bitter op zoek naar een verleden. Trok onderweg prachtige foto’s, liet
zijn uiterst geslepen taal los, sloeg klemhakken als sonnetten, legde knopen in
een touw waaraan de ene kant liefde, aan de ander kant dood, eros en thanatos,
hield zijn bergvoeten bij elk stuk en verloor uiteindelijk
zijn overlevingskit. Gelukkig was daar poëzie om het verongelijkte in op te
bergen, in acht ijzersterke gebonden sonnetten, gedichten die met Bitters
karakter bij elkaar werden gehouden, werden vertaald, werden getaald. Als
postkaarten. Er moet alleen nog een kaftje rond.
Ik geloof dat ik ooit eens geroepen heb of de echte Lydia Schot
wil opstaan. Als je dit soort gedichten aan je opgedragen krijgt, is het minste wat je kunt
doen enig teken van leven geven. Ik geloof dat ik daar een cruciale fout heb
gemaakt.
Al lezend in deze thriller van taal zat Lydia altijd al over mijn
schouder mee te lezen. Niet de Lydia van Bitter, maar de mijne. Mijn eigen, uit
mijn verbeelding ontsproten, Lydia. Moge iedereen dus bij het herlezen van deze
prachtig gedichten hetzelfde tegenkomen.
Acht postkaarten van Taalkundig marmer (1)
Essay
|
05 November 2009 | 22:42:59
Niet lang geleden hield mijn collega-dichter Papaver er als "writer in residence" een blog op na, waarin hij werk van zijn collega's besprak op zijn inmiddels bekende en niet te imiteren wijze.
Helaas achtte hij het onderhouden van dit blog te veel kopzorg, zodat hij het ding met een enkele druk op de knop aan de cachende genade van de diverse zoekmachines overliet.
Zonder zelf iets te bewaren.
Gelukkig heeft deze bewaarder vrijwel al deze essays voor de vergetelheid behoed. Hieronder toon ik het essay over mijn gedichtenreeks "Breuklijn", omdat het een fantastische leesbeleving koppelt aan een warm gevoel voor de dichtkunst in het algemeen.
20-09-2009
H.S.P. Bitter: acht postkaarten van taalkundig marmer in
‘Breuklijn’.
‘Breuklijn’
[voor Lydia Schot]
H.S.P. Bitter
Wat is belangrijk bij de volgende dichter. Dat hij componeert? Dat
hij muziek maakt? Dat hij beelden creëert? Dat hij aan woorden trekt? Dat
hij zinnen prikkelt? Zijn tekst manoeuvreert?
Ja! Allemaal zijn het evenzoveel omschrijvingen die graag van
toepassing zijn op de poëzie die H.S.P. Bitter maakt. Maar misschien is het
meest belangrijke wel dat hij weet hoe hij taal te lijf moet gaan. Hij is een
beeldhouwer in de smidse van het gedicht, die luistert naar het amalgaam van
taal, naar de klank van vonken. Hij hamert, bijtelt, schuurt en plamuurt tot
alles in de vorm past. Zijn vorm. Hij is meest
gehate sonnettenmaker, omdat hij zijn eigen regels maakt. Hij
rijmt niet, tenzij binnenrijm, en zijn muziek zit vooral in zijn hoofd:
een grondtoon van klei!
Bitter bewijst hoe woorden zinnen worden, hoe zinnen
verhaal maken. Hij is zijn eigen strengste meester, zijn eigenste criticus, en
weet uiteindelijk beelden te maken waar je als lezer niet langs meer kunt.
Bitter verbeeldt het woord. En als lezer krijg je plots zicht op zijn postkaarten, waaruit
de woordconstructies er als het ware uitspringen. Hier doet hij het acht
keer, en acht keer is het prijs! Ik bekijk zijn posters graag één voor één, en
eigenlijk moet je ze allemaal bekijken, naast elkaar in een grote zaal van een
uitgever, met kaft errond.
Breuklijn zegt niet veel als titel, en toch zegt het alles. Bitter hoort thuis in steen,
in bergen, hoort evenveel thuis in het woord waarin een
breuk. Die lijn verbeeldt hij. Hij heeft ze apart geschreven, maar bij elkaar vormen ze een koord waarmee je
rotsen kunt beklimmen. Dat is ook wat hij doet. Hij klimt en trekt de lezer
mee, op avontuur in taal.
(i) Reis
Touwen moeten geknoopt. Naast
handen
geven wij onze namen aan
elkaar
om in de steenvelden niet mis
te grijpen.
Ik lees de kaart met lippen
en gezichten,
verzamel oogopslagen,
vingerwijzingen,
laat goede voeten op de
ruggen leunen
en zet de schouders onder
waterkracht.
Wanneer we langer in de avond
turen
en wolken heuvels blijken,
sterren
straatlantarens, gaan de voornaamwoorden
ons aan het hart, kijken wij
grenzeloos.
Dichtbij ons ligt de nacht al
uren hoog
gestapeld, maar wij dragen deze
dag
naar de oneindigheid tussen
ons in.
Meteen op zijn Bitters, een introductie maken in die schitterende
regels van ‘Touwen moeten geknoopt.
Naast handen / geven wij onze namen aan elkaar / om in de steenvelden niet mis
te grijpen.’ Waar een gemiddeld sonnet minstens gebruik maakt van het
octaaf om verhaal te maken, doet de dichter het in drie zinnen. Meteen je
binnentrekken waar hij je wil. Hij knoopt touwen en handen in één regel, en
samen met de handen worden namen uitgewisseld, een beetje broederlijk, om niet mis te grijpen
in de steenvelden.
Voorts leest hij kaarten met gezichten en lippen en verzamelt
oogopslagen en vingerwijzingen. Bitter is hier leider van het woord waarin
rondgekeken wordt of alles in orde is de tocht aan te vangen. En tegelijkertijd leider en
verleider van taal.
Maar in strofe drie slaan taal en tekens zich prachtig in elkaar:
Wanneer we langer in de avond
turen
en wolken heuvels blijken,
sterren
straatlantarens, gaan de voornaamwoorden
ons aan het hart, kijken wij
grenzeloos.
Er zit romantiek klaar, maar de dichter weet dat er nog moet
geklommen worden want waar ‘wolken heuvels
blijken, sterren / straatlantarens’ is het eigenlijk donker genoeg om de
eerste voornaamwoorden uit te wisselen. Ik denk dat het gedicht hier veel persoonlijker
wordt dan het op het eerste zicht laat uitschijnen. Zullen we elkaar
tutoyeren, vragen de voornaamwoorden. Ik zie ze kijken naar elkaar, grenzeloos in dat prachtige
beeld van stapelbedden in de nacht: ‘Dichtbij
ons ligt de nacht al uren hoog / gestapeld’. En tussen hen in brandt de
intimiteit van de dag nog een beetje na, als een smeulend vuurtje.
(ii) Mond
Een windvlaag legt in lome
lettergrepen
de klanken van je roepnaam in
mijn oren.
Je zet je handen weifelend
opzij.
Knikkende knieën zeg je.
Rustplaats
stel ik voor. Terwijl je lippen sluiten
om de mond van mijn veldfles,
voel ik
klaprozen huiveren in korenvelden.
Voetstap en laatste steen die
valt.
We zwijgen, kijken in de
wolkenhoogte
en laten na de eerste zin te
nemen
die onontkoombaar ligt te
loeren.
Nog voor ik woorden vind voor ommekeer
sleur jij je rugzak mee en
gaat op pad.
De fles is leeg. Boven ons
hangen vogels.
Gedicht twee ligt in de mond. Dat is iets om mee te ademen, maar
ook om klanken en namen te noemen, en als het mag, te zoenen.
Ik druk alleen maar in wat luttel proza uit waar de poëzie
prachtige woorden en klanken heeft voor gevonden:
‘Een windvlaag legt in lome
lettergrepen
de klanken van je roepnaam in
mijn oren.’
Waarom lees ik dit soort dingen graag?
Uiteraard de ‘l’-en, die als libellen allitereren, maar nog meer omdat er in
deze subversieve regels klank en wind en tocht wordt opgeroepen in
dit ijle landschap, alsof taal en muziek hun uiteindelijke bestemming bij en
naast elkaar hebben gevonden. En als taal mannelijk mag zijn, dan mag muziek
van mij de vrouwelijke tegenhanger worden.
Bovendien weet Bitter ook hoe je voorzichtig regels
laat rondtasten, als een eerste vorm van voorzichtige erotiek en onderlijnt met een natuurlandschap dat
siddert:
‘Terwijl je lippen sluiten
om de mond van mijn veldfles,
voel ik
klaprozen huiveren in korenvelden.’
Terwijl haar lippen sluiten, lees ik, maar met de ogen dicht lees
ik liever verder, 'om de mond van mijn veldfles'. Ik hoop ooit het adres te
weten te komen waar je zulke veldflessen kunt kopen.
Wat daarna gebeurt is iets waar alweer flink is over nagedacht,
maar de taal slaat heel mooi aan: We zwijgen,
kijken in de wolkenhoogte / en laten na de eerste zin te nemen / die
onontkoombaar ligt te loeren. Ik stond daar verstomd van die kleine parel
van taal in het nemen van die eerste zin.
Niet de eerste bocht, of misschien de eerste helling, eerste klim,
dat is tenslotte wat je al klimmend doet, maar die eerste zin. Hier is het woord er nog niet
uit. Het brandt op de lippen, maar zowel de dichter als het gedicht houden hun
adem nog even in.
Maar voor ik tijd krijg verder te luisteren naar wat er onder de regels
ligt te broeien, gaat het gedicht alweer zijn eigen gang. De rugzak wordt meegesleurd,
de fles is leeg en daarboven cirkelen vogels.
Het zou een machtige eindgeneriek van een film kunnen zijn, ware
het niet dat de dichter nog wat taal te gaan heeft.
(iii) Lied
Hoog boven ons schreven de
hemelzwevers
geheimtaal met hun
duikvluchten, die schim
na schim de sneeuwvelden
betekenden.
Wij spelen hartenjagen,
daarna liegen,
vooruitlopend op handje
overspeeld
terwijl de duitsers aan de
snaren likken,
blaaskakend hoogtelijnen
jammeren.
Wij kennen ons en weten dat
de wolken
die langs de ramen dalen uit
geloof
doorwaadbaar zijn, de voeten van
de eerste vreemde leiden tot
de deur.
Onder de paardedekens van hun
stapelbed
fluisteren meisjes die een
oogje hebben
waar nog geen touw aan vast
te knopen is.
De twee gedichten sluiten heel mooi aan in dat beeld van vogels
die nog aan het luchtschrijven zijn. De acrobatie van taal, vogels en hemel,
waarin geheimen nog als schimmen in de sneeuw van het gebergte kunnen gelezen worden. Wat een
strofe alweer!
Ik denk vooral dat deze derde strofe zijn kamp heeft opgeslagen. Er wordt perfect
gekaart, maar vooral wat men speelt blijft rondcirkelen als die hemeltergende
zwervende vogels: hartenjagen, daarna liegen
/ vooruitlopend op handje overspeeld’. Ik vind dit schitterende beeldtaal die omfloerst probeert het
onderste uit de taalkan te halen, het onderste uit de taal der liefde. Zonder
meteen
doorzichtig te worden. Heel prettig, dat handje overspeeld. Wie wil weten welk soort muziek Duitsers
uit hun snaren halen moet vooral regel tien en elf maar eens nalezen. Ik denk dat hun schlagers
op die hoogte niet werken.
En dan lees ik vooral de laatste strofe graag opnieuw. Veel volk in zo’n berghut,
waarin bedden, waarop paardendekens, waaronder giechelende meisjes iets doen
waar bergbeklimmers alles van weten: die meisjes hebben een oogje op iemand
waar nog geen touw aan vast te knopen valt. Het beeld zit prachtig vastgesjord aan een eerste
soort verliefdheid die nog moet openbloeien.
(iv) Klim
Sla haken. Laat het touw niet
vieren. Vier
gaan er voor mij uit en twee maal twee
laten hun voeten op mijn sporen achter.
Drie hoeken verder hebben wij
opzettelijk
de laatsten uit het oog
gelaten, vinden
aanwijzingen voor stijging in de steen
en medeweten in de
sneeuwvelden veraf.
Strijklicht in ons gezicht,
de handen
neergelegd naast mondkost die
we delen,
adem die lucht krijgt van de
vogelvlucht
die onder samenhang voorspelbaar lijkt.
Raad een getal onder de drie.
Boven je hoofd,
waar wat je weten wilt er
niet toe doet.
Ik maak het goed. Er is nog
niets gezegd.
In dit gedicht moet er alweer gewerkt worden, de klim
slaat aan. Vier voor en vier achter. Daartussen hangen zij. Het touw mag niet gevierd.
Hier moet ik toch toegeven dat de tweede strofe nogal wat
taalgetast voor mij als lezer achterlaat. Maar misschien is dat ook de bedoeling.
Ook de inhoud tast hier rond, aanwijzingen volgend voor de stijging die
ontdekt werd in de steen(lagen). De laatsten, de klimmers achterop, werden
opzettelijk uit het oog gelaten, achtergelaten, en ik dreig, al lezend,
hetzelfde lot beschoren.
De samenhorigheid blijkt verdwenen, zowel letterlijk als figuurlijk. Zou hier
gevraagd worden wie van de overblijvers uiteindelijk de uitverkorene van de liefde
zal mogen worden? Raad een getal onder de drie is hier wel een erg vreemde
opgave. En boven je hoofd, waar de vogelvlucht, waar de vogels als het ware vluchten,
hangt iets wat je weten wilt, en er toch niet toe doet? Er zit nogal wat
geheimtaal in dit gedicht, waardoor ik me afvraag welke geheimen hier spelen tussen de overblijvers.
Maar misschien ligt het antwoord wel in die
laatste zin:
‘Ik maak het goed. Er is nog
niets gezegd.’
Ik maak het goed kan twee kanten op. Maak je geen zorgen, alles is nog
steeds in orde, of ik maak, wat ik fout deed, wel weer goed.
Er is nog niets gezegd! Nee dat klopt.
Dit gedicht zit letterlijk en figuurlijk in een klim. Alles staat
hier strak gespannen van verwachting, maar er wordt gesuggereerd
en gefezeld dat het een lieve lust is. Ik kan me hier alleen maar aan de taal vasthouden,
in de hoop dat ik niet val.
Woord na woord
Essay
|
09 September 2008 | 12:49:01
Woord na woord een reactie op de bespreking van mijn tweeluik Schedelplaats in het e-zine van www.boekwinkeltjes.nl door Karel Wasch
Het is nog niet eerder voorgekomen dat mijn poëzie in een openbaar medium is besproken. Ondanks dat en de dwingelandij van deadline en ruimtebeperking, lijkt het me toch nodig om aan deze bespreking het een en ander toe te voegen. Ik doe dat niet op basis van kennis die alleen de dichter ten dienste kan staan (intenties tellen niet, slechts het resultaat telt), maar op basis van wat iedere lezer waarnemen kan.
Eerst het tweeluik:
SCHEDELPLAATS
1. Vader
Mijn zoon loopt met mij mee het bergpad op,
de beek vergetend waarin hij gespeeld
heeft, vlinders die zijn hoofd omwolkten.
Hij kijkt omlaag naar stenen en zijn voeten
struikelen soms. Ik zeg hem niets over
zwevende zwarte vogels; visioenen
grijpen hem aan wanneer ze tastbaar zijn.
Onder het onweer klimt hij op mijn schouders
en breidt de armen van zijn onschuld uit.
Het Elmsvuur knettert helgroen om zijn slapen.
Geen god houdt in de storm zijn handen thuis.
Driemaal geef ik hem op en steeds valt hij terug.
De bliksemvingers kunnen hem niet houden
en uit zijn ogen vloeit een vreemd leeg licht.
2. Zoon
Ik lag omhoog te kijken in het gras
en zag de vlinders in het zonlicht dansen,
boven het water dat mijn oorsprong is.
Mijn vader riep mijn naam en ik stond op,
hij wenkte en ik volg hem in zijn sporen
de bergen in tot aan het ruwe kruis
waarboven zwarte wolken dorstig wachten.
Vaal en vermagerd loopt hij naast mij als
een lastdier dat door broodgebrek wordt aangegaapt
en dat bij elke windvlaag breken kan.
De klanken uit zijn keel lijken van hout.
Hij zoekt naar groen en ik klim op zijn rug;
vuurtongen slaan mij en ik kruis mijn armen.
De grauwste woorden breken uit mijn mond.
Dan de besproeking van Karel Wasch:
"Deze twee gedichten van Peter J.R.Vermaat vormen een eenheid maar ze zijn ook tegengesteld aan elkaar. Ze zijn gerangschikt onder de hoofdtitel Schedelplaats. Dat was de naam voor Golgotha, waar Christus werd gekruisigd. Oude begraafplaatsen werden ook aangeduid onder deze naam, het was oneerbiedig om over schedels te lopen. In beide gedichten kijkt een kind letterlijk vanaf de schouders van zijn vader neer op diens schedel en heeft zo ook een schedelplaats gevonden.
Het eerste gedicht Vader staat in de tegenwoordige tijd. Hier is de hoofdpersoon dus zelf vader en hij is in de natuur met zijn zoon. Hij dicht de zoon letterlijk mythische krachten toe. Hij observeert het kind en heeft er oog voor. In de eerste strofe omwolken vlinders het ventje en verderop in de voorlaatste strofe knettert er zelfs Elmsvuur om de slapen van zijn zoon. Elmsvuur is een lichtverschijnsel voor een ontlading. Scheepslui waren er bang voor omdat het onheil zou brengen. Geen god houdt in de storm zijn handen thuis schrijft Vermaat. Het kind is op zijn schouders terwijl hij de armen van zijn onschuld uitbreidt tegelijkertijd lijkt het de elementen nu te bestieren als een ware god. Ik moest aan Thor met zijn donderhamer denken uit het Eddah-epos ["Edda" - PV]. In de laatste strofe volgt de ontknoping. De vader schokt met zijn schouders, zodat het mannetje even omhoog veert. Daarna is het spel voorbij. Het kind landt weer op de aarde en er vloeit een vreemd leeg licht uit zijn ogen. Hij is weer geland en geen dondergod meer, maar een kind van vlees en bloed. Of heeft de vader al deze fantasieën in zijn zoon geprojecteerd? In een zoon waar hij van houdt.
Hoe anders is dat in het tweede gedicht! Het is een terugblik op de jeugd van de dichter. Een herinnering aan zijn eigen vader. Dit maal in de verleden tijd geschreven. Het kind ziet vlinders en bekijkt het water als een oorsprong. Vruchtwater? Een bijbels beeld? Hij is in de natuur, maar zijn dromerijen worden in de tweede strofe verstoord door de vader, die hem meeneemt naar een kruis. Geen prettig kruis. Een ruw kruis waarboven zwarte wolken dorstig wachtten. Was de vader obsessief gelovig? Een strenge christen, die geloofde in de God der Wrake? De vader is geen gezellige man in ieder geval. Zoals hij daar in de derde strofe vaal en vermagerd als een lastdier loopt. De klanken uit zijn keel lijken van hout.Hij heeft geen oog voor zijn zoon. Hij wil hem beleren. In de laatste strofe zoekt de vader naar groen. Hij is zo vaal gekleurd in zijn beslommeringen dat dit woord een prachtige tegenstelling oproept.
Eindelijk wat kleur in het bestaan van deze man. Van de gelegenheid maakt de zoon gebruik door op zijn rug te springen. Het kind is kennelijk kwaad, want vuurtongen openbaren zich en de grauwste woorden breken uit zijn mond. Alle woorden zijn tevergeefs er hebben al te veel woorden tussen de vader en de zoon gestaan. Ze hebben hun betekenis verloren. Ook hier maakt de zoon een gebaar met zijn armen, maar ze zijn gekruisd, verkrampt en niet gespreid en open zoals bij de zoon in het eerste gedicht.
Door al deze tegenstellingen roepen de beide gedichten vragen op, die men alleen in zijn fantasie kan beantwoorden. Misschien worden we zelfs geconfronteerd met onze eigen jeugd en ons eigen vaderschap. Een knappe prestatie van een
subtiel werkende dichter."
Het is opvallend dat Wasch wel begint met te zeggen dat deze gedichten een eenheid vormen en ook dat ze tegengesteld zijn aan elkaar, maar in het vervolg van zijn betoog die eenheid en tegenstelling weer enigszins loslaat. Anders dan hij schrijft, kunnen beide gedichten namelijk heel goed dezelfde gebeurtenis beschrijven, alleen uit twee verschillende gezichtspunten. Vader en zoon vertellen beiden wat hen is overkomen. In beide delen klimt de zoon op de schouders van de vader, in beide delen breidt hij de armen uit tot een kruisvorm. Ook de kleur groen komt in beide delen voor.
Misschien is de andere weg die Wasch bij zijn interpretatie van het tweede deel inslaat veroorzaakt doordat hij die gelijkvormigheid in achtergrond niet ziet. Ik vermoed dat hij in elk geval de Bijbelse connotaties wel opgemerkt heeft, maar dat hij deze niet in voldoende mate verdisconteert. Zo zegt hij bijvoorbeeld van de regel "De klanken uit zijn keel lijken van hout" dat deze de vader schildert als "geen gezellige man". Wanneer je echter het woord "lastdier" letterlijk opvat, dan zie je het woordgrapje in de geciteerde regel meteen: de vader wordt beschreven als een ezel, die immers balkt. Door het beeld van de ezel komt ook het Bijbelverhaal van Abraham die zijn zoon Isaac moest offeren op de berg Moria om de hoek kijken: "ik volg hem in zijn sporen de bergen in". Ook het "hel"-groen uit het eerste deel geeft een duiding aan wat er gebeurt.
Het tweede ding dat opvalt is dat Wasch, waarschijnlijk ook door de aanwezige Christus-connotatie, impliciet aanneemt dat God (de vader) zich in de hemel, dus in de ruimte boven het schouwspel, bevindt. Het beeld dat de vader de zoon op zijn schouders neemt en opwerpt naar het hellevuur, dat hem driemaal niet grijpen kan, wordt door hem daarom niet in verband gebracht met de thematiek van verlossing. "Driemaal geef ik hem op" betekent behalve letterlijk omhoog gooien ook figuurlijk "zijn lot uit handen geven".
De regel "Geen god houdt in de storm zijn handen thuis" heeft een dubbele bodem. Hoewel je in eerste instantie denkt dat de god zich boven vader en zoon bevindt en door middel van de bliksem driemaal vergeefs probeert de zoon te pakken te krijgen, zou je even goed kunnen zeggen dat de vader hier de god is die "in de storm", als het erom gaat spannen, zijn kind niet loslaat. Op die manier is het ook geen wonder dat de handen uit de hemel geen vat op de zoon krijgen. Voor de zoon is dat niet meteen duidelijk, hij weet niet of hij geofferd zou worden en is vervreemd: "uit zijn ogen vloeit een vreemd leeg licht".
Los hiervan is er in beide delen sprake van een sterke liefde van de zoon voor de vader en omgekeerd. In het eerste deel wordt de vader getoond terwijl hij moet loslaten maar dat zelf in het verborgene tegenwerkt, in het
tweede deel beschrijft met name de derde strofe het mededogen dat de zoon voor de vader voelt nu hij naast hem loopt als een hongerige en sterk vermagerde ezel. Je zou zelfs in de laatste regel nog een vriendelijk woordgrapje kunnen lezen in "grauwste", daar een ezel nogal eens wordt aangeduid met "grauwtje".
Ik schrijf dit als aanvulling op de bespreking door Karel Wasch, die een aantal elementen terecht aanvoert, maar in de loop van zijn betoog in de problemen komt met zijn interpretatie. In het slot doet hij dan ook expliciet een beroep op de fantasie. Op zich is dat geen probleem, zonder fantasie kan immers niemand zich een beeld vormen bij een fictionele tekst van een ander. Wanneer bij bovenstaand tweeluik echter te snel wordt overgegaan naar het beeld van de zoon die door zijn vader streng gelovig is opgevoed, versmalt de duiding teveel en raakt de lezer uiteindelijk het spoor bijster.
Nieuw: Dagelijks Dicht als iGoogle gadget
Nieuws
|
08 September 2008 | 14:29:50
Vanwege het feit dat ik nergens een dagelijkse feed met een gedicht kon vinden in de vorm van een iGoogle-gadget, heb ik er zelf eentje gemaakt. Een zeer basaal dingetje, maar functioneel.
Toe te passen via http://www.google.com/ig/adde?hl=en&moduletitle=Dagelijks+Dicht&moduleurl=http://www.google.com/ig/shared%3Fuid%3D116371490316048408135%26mid%3D17%26url%3Dgm_freeform.xml&source=igm
Plaatsen van verwant beleven
Nieuws
|
15 Juni 2008 | 13:43:40
Plaatsen van verwant beleven (uitgebreide tekst op basis van de oorspronkelijke, niet bekorte versie van het interview in Meander, juni 2008)
Na een studie Geologie is Peter J.R. Vermaat (1963) werkzaam als adviseur in de IT-sector. Hij publiceert op diverse dichtsites, samen met zijn alter ego H.S.P. Bitter.
Je schrijft al dertig jaar gedichten. Hoe raakte je aanvankelijk geïnteresseerd?
Ik ben als tiener begonnen met het schrijven van verhalen en daarin begonnen songteksten een rol te spelen. De stap naar het Nederlands heb ik gemaakt toen in de schoolkrant gedichten verschenen van een meisje dat ik wel zag zitten. Dat kan ik ook dacht ik. Na veel oefenen kon ik het na een aantal pogingen "ook". Daarna merk je dat het maken van taal je een goed gevoel geeft en dat wil je dan niet meer missen.
Verder onderken ik de invloed van de heer Hagoort, de leraar Nederlands die ons in 6 VWO de poëzie van Achterberg liet becommentariëren. En tenslotte een schrijversgroepje waarin ik tijdens mijn studiejaren verzeild raakte. Je wilt toch niet voor elkaar onderdoen en dat versnelt je groei enorm.
Zie je zelf veel veranderingen in je werk, misschien onder invloed van dichters die je achtereenvolgens bewonderde?
Mijn werk is vrij divers: poëzie, verhalen, kritieken, columns, een kort toneelstuk, een roman. In het verleden heb ik veel gehad aan Achterberg, Nijhoff en Andreus, maar ook (zoals ik me meer en meer realiseer) aan de taal uit de Bijbel. Er is een buitengewoon grote schat aan bijzonder Nederlands klinkende woorden, die ondanks hun schijnbaar archaïsche voorkomen goed bruikbaar zijn in hedendaagse poëzie. Meer dan door dichters word ik beïnvloed door foto's, films en door muziek. Mijn woorden worden veel eerder opgewekt door klanken en beelden dan door andere woorden. Ik heb een voorliefde voor het verhalende, vandaar dat ik in een bepaalde periode lange gedichten schreef van enkele honderden regels. Dat pad heb ik verlaten omdat in dergelijke vormen de taalspanning niet kan worden volgehouden. Een lezer moet op adem kunnen komen.
Uiteindelijk heb ik mij kunnen vinden in een persoonlijke sonnet-variatie, een rijmloos 3-4-4-3-sonnet. Met name de symmetrie vind ik daarin prettig. Het verhalende vindt zijn plaats in de cycli die ik met die sonnetten bouw. De laatste tijd sta ik mezelf ook toe om eens een andere vorm te kiezen. Het blijft daarin duwen en trekken tussen de lyrische zanger en de man van orde.
Als omschrijving van je poëzie geef je: ‘het scheppen en ontdekken van plaatsen van verwant beleven.’ Is dat een knipoog naar Plato, of moet ik die uitspraak heel anders interpreteren?
Ik moet bekennen dat ik Plato nog niet gelezen heb. Mijn interesse geldt meer Xenophon en Thucydides. Wat ik met de plaatsen van verwant beleven beschrijf is een ervaring die ik voor het eerst als twaalfjarige had, terwijl ik in een bergweide naar de wolken keek: er overkwam mij een soort geestelijke "verdubbeling", waarbij ik de sensaties van vorm, kleur, geur en klank uit mijn geest in de werkelijkheid "terugzag". Dat is iets anders dan het gevoel te hebben dat je ergens al eens geweest bent. Dit is het herkennen in de wereld van een landschap dat zich af en toe achter je ogen uitstrekt.
Sinds enige tijd werk ik aan "Zavel", een groot project van 366 teksten, die samen de omtrekken en inhoud moeten oproepen van een dorp in een landschap, ergens in de binnenlanden van Nederland, tussen "erg lang geleden" en "best wel lang geleden". Veel meer dan reguliere gedichten worden dat zegswijzen en drinkliederen, maar ook grafschriften. Ik kan min of meer rechtstreeks vanuit de geest "binnen" dit landschap schrijven. Wederom draait het daar om namen en woorden
In je gedichten kom ik vaak begrippen tegen als levend water, fonteinen, beddingen. Vind je symboliek een belangrijk element in poëzie?
Deels is dat persoonlijke smaak, de alomtegenwoordige incarnatie van het bergbeekgevoel dat ik van die beelden en hun woordklank krijg. Ook van de rivier die, gevuld met zand en klei uitstroomt in de zee, kan ik erg houden. Ik zie het sedimentatieproces voor me, voel het in mijzelf plaatsvinden. In de bovenloop van de stromen wordt steen en zand weggesleten en in het water wordt dat vermengd. In kronkels van rivieren, waar de stroming minder krachtig is, wordt dat materiaal losgelaten en neergelegd.
Meer dan bewuste symboliek is dat zelfsymboliek, meer intrinsiek dan bewust expressief. Voor een dichter zijn dit gevaarlijke uitspraken in die zin dat een beeld je te veel kan bevallen, zodat je de bijbehorende woorden te vaak gaat uitspreken. Dan slijt zo'n woord op den duur af en verliest het zijn kracht en bruikbaarheid. Water is en blijft echter een prachtig woord.
Ik heb gemerkt dat de door mij vaker gebruikte symbolen zeer persoonlijk van aard zijn en daardoor wel eens verkeerd worden begrepen. Lezers proberen een gedicht altijd eerst via de cognitieve deur binnen te gaan, ik doe dat zelf ook te vaak. Wanneer men dan vastloopt, krijgt de dichter de schuld, terwijl de lezer niet bereid is om een andere toegang te proberen. Meer dan symbolen probeer ik daarom beelden op te roepen door middel van woordklank. Dat voorkomt het verdwalen en eveneens die slijtage
Op de verschillende poëziepodia in het land ben je niet aanwezig. Een bewuste keus waaraan je de conclusie zou kunnen verbinden dat een toehoorder niet zo belangrijk voor je is? Hoe zit dat met de lezer?
Het optreden op een podium als verklaring van het belang van de toehoorder lijkt me een denkfout. Ik vergelijk de dichter liever met een componist, die niet per se (en meestal juist niet) de uitvoerder van zijn eigen werk hoeft te zijn. Muziek die live vrij aardig lijkt te klinken valt bij nadere beluistering meestal tegen. Iets dergelijks is denk ik ook aan de orde bij podium-dichters: slechts zeer weinigen zijn in staat om op papier evenzeer te boeien als op de zeepkist.
Enige jaren geleden ben ik op internet de lezer bewust gaan opzoeken. Zo lang je niet "op papier" te verkrijgen bent, is dat een elegante manier om lezers te vinden. Behalve het proeven van elkaars werk en het scherpen van elkaars kunde, ervaar ik dit platform ook als nuttig om een "corpus" van mijn eigen werk samen te stellen. Je merkt aan de reacties welke gedichten "werken" en welke niet. Het enige nadeel van een dergelijk podium is dat je de grote hoeveelheid over parkieten en opgezette cavia's dichtende huisvrouwen en de overal aanwezige dosis gekken en "kunstenaars" voor lief moet nemen. Het gaat er daarbij vaak heftig aan toe, omdat de ruzies die in het slamcircuit ontstaan via de diverse sites worden uitgevochten. Behalve de betrokkenen heeft verder niemand enig idee van waarover het nu werkelijk gaat.
Kritiek wordt meestal slecht verdragen, en wee degene die over een scherpe pen beschikt. In je reacties moet je je daarom nooit als een persoon, maar altijd als een personage opstellen. Dat spaart je hart en voorkomt stenen door de ruiten.
Zeg je daarmee dat die dichtsites kwalitatief even matig zijn als het slam-circuit?
Wanneer je het totaal in beschouwing neemt is dat zeker het geval. Veel mensen willen alleen hun teksten op internet geplaatst hebben en zijn absoluut niet geïnteresseerd in het bereiken van een hoger niveau. Ik heb echter inmiddels het werk van een aantal dichters leren kennen dat van een behoorlijk hoog niveau is. Helaas krijgen zij bij uitgevers geen poot aan de grond. Uitgevers doen weinig moeite om werkelijke kwaliteit uit te geven: ze zijn meer gericht op hypes als Tjitske Jansen dan op robuust dichtwerk van mensen die niet lijden aan mediageilheid
Op je eigen blog schrijf je ook kritieken; ik zie daar steeds dezelfde naam. Is hier sprake van fascinatie voor een bepaalde schrijver?
Een van mijn neigingen is om een boek altijd uit te lezen, hoe slecht het ook blijkt te zijn. Daarna moet er in mij een soort reiniging van die leeservaring plaatsvinden en dat doe ik door middel van het schrijven van een kritiek. Ik heb een Januskop, die zonder twijfel door hetzelfde bloed gevoed wordt: de lyricus die intens ontroerd kan raken door mooie dingen en de polemicus die lelijke dingen wil verwoesten. Dat leidt soms tot stukken waarom ik achteraf erg moet lachen en dat zijn dan ook de stukken die ik op mijn blog plaats. Ik hoop dat de lezers er ook zo'n plezier aan kunnen beleven. En wellicht heeft een ander er nog iets aan
Je werkterrein ligt op zekere afstand van de literatuur. Wat maakt Peter Vermaat dan toch tot poëet?
Ik zie het dichterschap als een zijnskwestie, niet uitsluitend als een bezigheid. Ik ben ook dichter wanneer ik geen gedichten schrijf. Ik ervaar het ook als een groot voordeel om in mijn werk op een totaal andere manier met taal bezig te zijn. Wanneer je te veel met het "kunstwereldje" te maken hebt, ga je er een bepaalde eerbied voor ontwikkelen, die alleen maar afleidt van waarom het uiteindelijk gaat: het werk.
Navigatio (een vijfluik)
Gedicht
|
28 Maart 2008 | 13:51:54
Navigatio
I.
Vindolanda
De wolken hangen leeg over de daken.
De witte velden liggen uitgestrekt
niets liever dan een niemandsland te zijn.
Geen marsbevel breidt leegte verder uit
dan horizon en ouderdom, de sporen
van het voetvolk en de trotse ruiterij
zijn in geen schimmenrijk meer zichtbaar.
Eeuwenlang wachtlopen in ochtendmist
en in de avondnevel steeds met minder zijn
dan gisteren, totdat de laatste man
vergeefs hoort naar zijn eigen rechtsomkeert.
Wie weet hoe lang hij op de uitkijk stond
en aflossing noch aanval meer kon duchten
toen hij de poorten zonder ophef open liet.
II.
Vindomora
Sporen met stenen ingelegd verzwaren
na duizend jaar het landschap nog altijd;
een wandelaar hoort vele voeten schuiven.
IJzer en leer zijn geurloos, hout en brons
nu onnaspeurbaar, slechts de marsbevelen
en soldatenvloeken komen uit de grond
voor wie zich toelegt op het lange gras.
Een voetstap die vergeten wordt, kan nooit
meer worden uitgewist of uitgespoeld
en is onsterfelijk zo lang de ploeg
alleen in omtrekken beweegt.
Wie weet wanneer de laatste, dodelijk
vermoeide man zijn helm af wierp, tegen
een stam leunde terwijl de bomen hoorbaar ruisten?
III.
Calleva Atrebatum
Niemand is hem vergeten, hoe de markt
nog heet, maar monden die hem elke dag
weer proeven, kauwen vreemde medeklinkers.
Het witgezwete leer knelt om mijn borst,
een stompe speer dient mij als wandelstok.
De bakker die ik brood vraag, dreigt mij met een pan;
geen waterdrager of mijn vragen maakt hem kwaad.
Gebaard als zij gebruik ik mijn gebaren
in afgekloven streektaal, kauw mijn vlees
en vloek de keizer die zij niet meer kennen.
Een legioen ontbreekt het aan sandalen.
De honderdman heeft nog geen hond herkend
als zij hem koppensneller schelden en verjagen.
Alleen mijn munten zijn nog niet ontwaard.
IV.
Alauna Ostia
Langs korsten kust sleurt altijd uit het westen
eendere stormwind leeg en hunkerend,
nog nooit door iemand in zijn mond gevangen.
Weg naar de overzijde, waar mijn naam
moeiteloos in zijn tongval om mijn moeder roept,
haar kinderen vergadert in het moerbeidal,
in de olijvenboomgaard onder avondlicht.
Hoog op de rotsen, bij het kromgetrokken hout
met ingedroogde vruchten aan zijn armen
is er geen bloedverwant in stembereik,
blijven de witte watervogels onverstaanbaar.
Mijn haren en mijn baard zijn aangegroeid:
een bard die zich in bossen wil verschuilen
maar over kaalgewaaide akkers dwaalt.
V.
Brytwudu
Berichten komen niet meer uit het woud,
duiken koudbloedig onder in moerassen
en gaan met wilde paarden op de loop.
Tegen de dagzoom, met het bleke licht
hebben mijn woorden zich opzij gerold
en, proevend van hun nieuwe achtergrond,
de tong al langs de tanden laten gaan.
Mijn voeten sluipen, mijden harde wegen
en laten mijlstenen in nevelflarden
vergeten wie hun meesters zijn geweest.
Een nieuwe volkstaal zwerft al door de bossen.
Naakt en berooid vlecht ik mijn bladerschorten
tot daken voor de hutten waar wij zingen
en de verhalen dromen die de wind ons leest.
Het Project - update 2
Het Project
|
28 Maart 2008 | 13:22:34
Een van de prettige eigenschappen van een project is dat het in de regel zo lang kan duren als je zelf wilt. Geen deadlines. Stel jezelf geen doelen. Het is eenvoudig, een landschap stelt zichzelf ook geen doelen.
Het project heeft inmiddels een naam. Dat is lastig. Zo gauw iets een naam heeft, zijn de groeirichtingen beperkt. Noem iets "strand" en je moet immers iets over zand en water zeggen, maar bomen komen daarbij minder goed van pas. Daarbij staat die naam ook nog eens ter discussie. Tevens is het project wat sterker verbonden geraakt met mijn dichterlijk alter ego H.S.P. Bitter. Bitter is, waar het gaat on leenwoorden, een beetje een zeurpiet. Maar daarover straks meer.
Zavel, aangroeiend land
"Zavel" is een experiment, een vrij on-Bitters werkstuk. Met uiteindelijk 366 teksten
hoop ik een cyclus te bouwen die naast een calendarium ook een geschiedenis is, die
behalve "beelden uit mijn hoofd" ook volkomen Nederlands in klank en taal zal zijn
(leenwoorden worden zoveel mogelijk vermeden). Volksverhaal in mijn verhaal.
Zavel is een stuk land, een gehucht, een dorp, een groep verlaten huizen, een heugenis.
Wellicht valt er ooit een landkaart van Zavel te maken.
De huidige titels en nummers zijn voorlopig, de uiteindelijke indeling zal plaatsvinden.
Alternatieve titels zijn "Zandveld", "Leemsel", "Kwaailaak", "Grouvoort", "Zuurlo", "Wolfrooi"
en "Kwaaidonk", waarvan de laatste momenteel mijn voorkeur heeft.
Het woord "zavel" is eigenlijk een leenwoord. Daarmee begint het al. Heb je je eindelijk op een graspol genesteld, wordt de ondergrond omgespit.
Mondje dicht over ‘Monografie van de mond’ van Willem Jardin
Toen ik de titel voor het eerst zag, moest ik aan een dichtbundel denken. Wie uitsluitend de mond aan het woord wil laten, schrijft lyriek en dat leidt meestal tot poëzie. Merkwaardig genoeg gaat het hier om een roman waarin met name het denken centraal staat. Nu afficheert Willem Jardin (de jongere broer van de auteur Peter du Gardijn) zich op internet als art philosopher, dus zijn interesse voor de processen onder het schedeldak komt niet geheel uit de lucht vallen. De vraag is echter of je daar een roman over moet schrijven en sterker nog: of je romandebuut juist daarover moet gaan.
Wanneer een schrijver debuteert, hangt veel af van wat zijn uitgever voor hem doet. Dat begint bij een wervende reclametekst om het boek aan te prijzen aan het publiek, dat de debutant immers nog niet kent. Vanwege het releverende karakter van die tekst, citeer ik hem hieronder in zijn geheel:
[ ‘De beroemdste grot in de geschiedenis van de kunst is niet Lascaux, maar de menselijke mond.’
Monografie van de mond is een boek over spreken. Alle personages in dit boek zijn op zoek naar woorden. Soms obsessief, soms geëxalteerd, soms met wijze kalmte. In de roman spreken twee joodse jongens. Paul Heineman woont in Amsterdam, Frank Heineman is docent in New York. Zij zijn broers en ze zijn ieder op eigen wijze bezig de psychologische erfenis van hun familie te verwerken en in te passen in hun leven. Hun vader is tandarts, hun grootvader is slachter van het Amsterdamse abattoir en heeft een kampverleden. Hun joodse moeder heeft haar geloof verloren, maar keert in de loop van het boek terug naar de waarden van haar jeugd.
Als de vader ziek wordt, wankelen de onderlinge verhoudingen in de familie. Paul zoekt de confrontatie met zijn grootvader en sleept de lezer mee in een koortsachtige wereld, waar ziekte en besmetting constant op de loer liggen. Frank krijgt een liefdesrelatie met zijn begaafde studente Naomi Harper. In de beslotenheid van zijn slaapkamer ontwikkelen zij rituelen waarbij filosofie als afrodisiacum dient.
Monografie van de mond is een zinderende, virtuoze roman, waarin Willem Jardin met stilistische brille grote thema’s aansnijdt. Het boek toont op even rauwe als ontroerende wijze de dubbelzijdigheid van de liefde. Liefde is niet alleen verbinding, maar ook ontbinding. Zonder afscheid is er geen ontmoeting. ]
Mij viel meteen de eerste regel op, die gezien de aanhalingstekens blijkbaar een citaat uit het boek is. Het is geen vondst om de menselijke mond met een grot te vergelijken. Over het feit dat de Grot van Lascaux of juist de Grot van Altamira de meest beroemde grot uit de kunstgeschiedenis is, kan worden getwist. Maar dat de menselijke mond beroemd zou zijn, is een op zijn minst onzorgvuldige formulering. Je zou kunnen stellen dat de mond het meest invloedrijk is of zo je wilt het meest actief. Maar beroemd? Wanneer het om kunst gaat in combinatie met de mond komen alleen zangers in aanmerking en juist bij hen gaat het bij verwijzing naar hun stemgeluid vrijwel zonder uitzondering over hun keel. Als ondersteuning voor de bewering “stilistische brille” is dit citaat buitengemeen ongelukkig.
In de geciteerde tekst wordt tevens gesproken van “dubbelzijdigheid van de liefde”. Nu weten we dat een medaille twee zijden heeft en sprekend over de liefde zou je ook nog wel het cliché van “de medaille met twee zijden” kunnen gebruiken, maar waar het gaat over de liefde zelf en haar eigenschappen, zou het van meer zorgvuldigheid getuigen wanneer je spreekt van dubbelzinnigheid. Het gaat bij de liefde immers niet om een statisch voorwerp waarmee je gooien of rollen kunt, maar van een menselijke eigenschap, waarvan emoties, gewaarwordingen en bedoelingen het karakter bepalen. In deze tekst doet de uitgever de schrijver dus onrecht aan, door zijn kennelijke stilistische kracht te willen ondersteunen door kreupel taalgebruik. Dat gebrek bij de uitgever wordt op een extra tragische manier aangetoond door het woord kampverleden. Zoals iemand met een oorlogsverleden in de regel aan de verkeerde kant stond, lijkt dat voor de meeste lezers bij iemand met een kampverleden eveneens het geval. Ik neem aan dat de schrijver niet bedoelt dat grootvader Heineman een kampbeul was.
Het verhaal van de roman gaat over twee broers, die verschillend reageren op de ziekte van hun vader. waar hebben we dat eerder gelezen? Inderdaad, in de roman Nachtzwemmen van broer Peter du Gardijn. We raken hier blijkbaar een autobiografisch element. De door de zieke vader wankelende familieverhoudingen werden in Nachtzwemmen beschreven op een afstandelijke en gelijkhebberige manier, waarbij de broers nooit tot een werkelijke confrontatie geraken. Dit lijkt ook in dit boek aan de orde: de ene broer richt zich op de grootvader, de nadere duikt onder (de dekens) met een studente. Het gaat niet aan of dergelijk vermijdingsgedrag autobiografisch gegrond is, maar voor een roman is het over het algemeen weinig heilzaam. Juist in de confrontatie tussen verschillende karakters in een voor beide gelijke situatie is boeiend voor een lezer. Daarbij hoeft het niet te gaan over wie de strijd wint, maar is juist de ontwikkeling interessant. Schrijf dan liever een boek over vier broers die bij het overlijden van hun vader een winkelketen ervan, waarbij drie van hen ernstige neigingen tot kunstzinnigheid hebben (twee schrijvers en een beeldhouwer) gepaard aan beperkt talent, terwijl nummer vier de zaak draaiend moet houden en daarmee zijn broers van voor hen noodzakelijk inkomen voorziet. Juist een uitgever moet dit aspect begrijpen. Waarom is juist dit boek gepubliceerd? Wanneer je de diverse berichten over dit onderwerp moet geloven, is het aanbod van manuscripten aan uitgevers overweldigend, dus keuze in overvloed zou je denken. Gaat het werkelijk zo slecht met Meulenhoff?
Vreemd is ook de kennelijke identificatie van de schrijver met het Jodendom. Voorzover ik weet is hij evenals zijn broer geboren en getogen in een Veluws dorp, stamt de familie mogelijk af van Hugenoten en is het enige exotische bestanddeel in zijn afkomst, mocht dat al aanwezig zijn, afkomstig van een Kozak.
En dan nog dit. In het verhaal krijgt een van de broers, de hoogleraar, een relatie met zijn begaafde studente. Citaat uit de aankondiging: “In de beslotenheid van zijn slaapkamer ontwikkelen zij rituelen waarbij filosofie als afrodisiacum dient.”. Ook dat lijkt me om twee redenen een gemiste kans. Het verhaaltje over een professor die zijn studente verleidt, de dokter met de verpleegster, de leraar met de leerling, top-down of bottom-up, hebben we allemaal al duizend keer gelezen. Deze variant moet wel groots, briljant en grensverleggend zijn om nog te kunnen boeien. Het boek is nog niet verschenen, dus dat blijft nu even gissen. Misschien is de studente (omdaat ze begaafd is) wel foeilelijk en leidt dit tot voor de lezer aangename humor of prettig sarcasme. Misschien is ze wel een heel lekker ding (maar waarom moet ze dan weer per se begaafd zijn?) en spat de erotiek van de pagina’s af, ook smullen. Maar ergens vrees ik dat dat allemaal niet van toepassing is, juist door de vermelding van filosofie als afrodisiacum. Gezien de tobberigheid die de roman van zijn broer kenschetst, kan ik me daar wel enigszins een voorstelling van maken. Opwindend zal het niet zijn en vrolijk evenmin. Coito ergu sum? En dan huilen natuurlijk.
Na enig gegoogle blijkt dat Willem Jardin ook op andere plaatsen zijn sporen heeft willen achterlaten. In een korte biografie, gewijd aan de beeldhouwer Peter H. van de Locht (http://www.pvandelocht.nl/pags/about.html), afficheert Jardin zichzelf als “Dutch writer and art philosopher” en komt aan het eind van de tekst tot de volgende openbaring: “Van de Locht might well be the first artist to combine in a genious and unprecedented way the principles of sculpture and architecture. With his Five Ports of Shanghai he might even beat the great builders of the Roman Empire”. Als Jardin zijn geschiedenis een beetje zou kennen, had hij geweten dat vrijwel alle constructies die tot de Zeven Wereldwonderen worden gerekend een combinatie van architectuur en beeldhouwkunst vormen. Sterker nog, alle Griekse tempels in steen, zoals de ruïnes in Athene en op Sicilië ons tonen, gaan uit van dit principe. In feite zijn reeds de Egyptische piramiden en bijvoorbeeld de Isjtar Poort in Babylon, ja zelfs het Paard van Troje hier voorbeelden van. Als enig aansprekend voorbeeld uit de Romeinse periode zou de Aya Sophia kunnen gelden, maar die heeft de status van Wereldwonder nooit bereikt. Had Jardin zich bovendien werkelijk in de Joodse cultuur verdiept, dan had hij de Tempel in Jeruzalem als prominent voorbeeld gekozen.
Laten we voor de schrijver hopen dat dit soort uitglijers op het gebied van de kunst niet kenmerkend zijn voor een dito laag niveau boek. Het komt over enige dagen uit. We wachten het af. Nog even mondje dicht.
Iconografie van de kont
Verhaal
|
04 Maart 2008 | 10:11:27
Iconografie van de kont
“Conanti dabitur” hijgde Frank en Naomi begon zich woest de kleren van het lijf te rukken.
“Dimidium facti qui coepit habet” repliceerde ze en zag tot haar genoegen de bolling in Frank’s broek groeien.
“Homen homini lupus”, gromde Frank en liet zijn tanden zien.
“Miscere utile dulci” lachte Naomi, terwijl hij haat tepels masseerde.
“Audendo magnus tegitur timor”. Frank bleef staan, liet de armen langs zijn lichaam zakken en bewoog niet.
“Bis vincit qui se vincit” moedigde Naomi hem aan.
“Cessante causa cessat effectus”, bekende Frank teleurgesteld.
“Deliberando saepe perit occasio. Animum debes mutare, non caelum” pleitte Naomi.
“Contra principia negantem disputari non potest” stelde Frank vast. “Dictum sapienti sat est.”
“Imperitia culpae adnumeratur”. Haar stem klonk vrolijk, maar haar ogen vlamden. “Nil volentibus arduum.”
“Laedere facile, mederi difficile”. Frank ritste zijn gulp dicht en begon zijn overhemd in zijn broek terug te proppen.
“Res, non verba.” Naomi maakte geen aanstalten om zich weer aan te kleden. “Aliquando et insanire iucundum est. De minima magnus scintilla nascitur ignis”.
“Contra vim mortis non est medicamen in hortis.” Frank liep naar het raam en schoof de gordijnen open. “Sol omnibus lucet.”
“De mortuis nil nisi bene. Ut ameris ama” mopperde Naomi.
“Si vis amari, ama” zei Frank luchtig en gaf Naomi een pets op haar achterste. Hij ging op het bed zitten. Van een stapeltje papieren op zijn nachtkastje pakte hij een blad en begon te schrijven.
“Verba volant, scripta manent,” mompelde hij, terwijl de aanwezigheid van Naomi hem niet langer leek te interesseren. “Usus magister est optimus. Usus est tyrannus.”
Hij stond op en liep naar de deur. In het voorbijgaan duwde hij haar bovenlichaam voorover en stak de pen in haar kontgat.
“Dulcia non meruit qui non gustavit amara” stelde hij vast. “Vita brevis est, longa ars.”
Retourtje dierentuin
Recensie
|
01 Februari 2008 | 10:29:27
Retourtje dierentuin De dichtbundel "Onder de dieren" van Peter du Gardijn
Zowel aan een dichter als zijn uitgever mag taalbeheersing als eis worden gesteld. In deze bundel maakt Du Gardijn tweemaal een taalfout, die blijkbaar ook door de redacteur over het hoofd is gezien. In het gedicht Fremdkörper wordt het woord “sprei” gebruikt alsof het onzijdig zou zijn: het is echter de sprei. In de titel Handschoen, opgepakt laat Du Gardijn opnieuw een steek vallen: het is een boef die je oppakt, de handschoen neemt men op. Het is een schandaal dat een uitgeverij als De Bezige Bij dit soort broddelwerk durft af te leveren.
Het heeft even geduurd voordat ik de beschikking kon krijgen over de bundel, nadat de publicatie diverse keren is uitgesteld. Inmiddels zijn er hier en daar in de media ook al besprekingen verschenen. Waar die beschikbaar zijn, mis ik echter steeds een kritische grondhouding tot de bundel. Het is nogal gloria halleluja wat de klok slaat en mijns inziens is dat allesbehalve terecht.
Er zijn dichters en "dichters". De eerste soort behoeft geen nadere toelichting, de tweede soort wordt gevormd door lieden die zich vooral bezighouden met de pose van poëet en die zich navenant uitdossen (met name de bohème-variant met onverzorgd uiterlijk en getormenteerde gezichtsuitdrukking is nog altijd populair). Lyrische dichters behoren zonder uitzondering bij de eerste categorie: het is immers onmogelijk om lyriek te veinzen. Het wordt echter complex wanneer een dichter niet vertrouwt op zijn eigen kracht, maar zich sterker tracht te maken met behulp van attributen van de "dichter". Wie een regel als "ik ben steeds van de stilte gaan houden" kan schrijven heeft dichtersbloed, dat kruipt waar het niet gaan kan. Neem daarentegen een stukje woordacrobatiek als "...wegvegen de as van het kwaad" (Expat), dat met een witregel erboven en eronder als het ware met neonletters in het gedicht staat.
O o wat een vondst, ooh en aah van de lezers. Maar in wezen is het niets anders dan
...zo’n jurkje, met of zonder bloemetjes,
of laarzen, poeder: je weet het is allemaal beredeneerd,
doorzichtig in de spiegel. (Handschoen, opgepakt II)
Dat beredeneerde, dat culturige, boekige, wijsgierige en vooral het leukige, de bundel is ervan vergeven en al vrij snel begint dat te irriteren. Lyriek ontbreekt volledig, klankgedichten kom je niet tegen, nergens wordt de lezer meegesleurd door een maalstroom van taal. Het niveau van opwinding komt nergens boven dat van de ingewikkelde borduursteek uit, zoals het volgende gedicht illustreert:
Goudvis
Samen met een takje slijt ik mijn dagen
in een kom vol speelgoedwater.
Als vaste grond is er wat grind,
dat ik uit wanhoop almaar gladder lik.
Ik vrees je koele blik die mij in zijaanzicht
zo plat maakt als een stuiver.
Maar weet dat ik ook buiten jou besta.
Dier en gedachte ben ik, geschubd daarbij.
Ooit schud ik mijzelf een ander leven in,
met tuingeur en echte rozen.
De regel "Maar weet dat ik ook buiten jou besta" is een overigens (enigszins aangepast) relict uit het gedicht "Arena", dat ooit in De Revisor werd gepubliceerd (1992/5, Peter du Gardijn, Kamer/Park/Arena/Ontmoeting met Joyce [poëzie] p. 55) en dat over een leeuw gaat. De metamorfose van leeuw in goudvis is vrees ik kenmerkend voor de gedichten in deze bundel.
Laatst hoorde ik iemand spreken over twee diertjes met zeer Nederlands-eigen namen: de paalworm en de gribbel. Dit soort dieren zal men echter tevergeefs zoeken in deze bundel. Wel is er naast de goudvis nog pluimvee en een winti-vogel te vinden. Zelden heb ik een meer armetierige dierentuin gezien.
Het geheel lijkt geschreven vanuit het gezichtspunt van "onder de mensen" zijn, waarbij mensen dan als dieren moeten worden beschouwd. Een weinig verheffende kwalificatie van je leefomgeving. Of ik moet het volkomen bij het verkeerde eind hebben en "onder de dieren" betekent zoveel als "onder de beestjes zitten" (lees: luizen en mijten) en dan denken we uiteraard meteen aan een woningloze die alleen in zijn gedichten wonen kan.
Een Slauerhoff is Du Gardijn bepaald niet. Een poète maudit zou zichzelf niet snel identificeren met een goudvis, maar eerder met een haai of een gestrande walvis. Niets van dat alles. Du Gardijn doet zich slechts kennen als een inwoner die geen inwoner wil zijn, een burger die van zichzelf vindt dat hij een ironische observator is. De werkelijke zwerver, die de koude van de winter aan den lijve wil ervaren, neemt zijn intrek in een kuil op de heide en koestert zich niet in de warme kachellucht aan de zonzijde van het postkantoor.
Door de hele bundel heen poseert de dichter als zo’n would-be zwerver, die slechts waarneemt maar nergens deelneemt. Ook deze afstandelijkheid is niet meer dan een bohème-pose, het wekken van de schijn van niet willen, terwijl de ware reden het niet kunnen is. Zo wordt de dichter nooit meer dan een schimmel, wiens mycelium de omgeving verontreinigt met als enig doel de verrotting daarvan ten eigen bate aan te wenden. Wanneer dit luikje in je lezersbewustzijn eenmaal geopend is, zie je dat deze bundel nergens meer is dan een verzameling constructies, waarin persoonlijkheid en oorspronkelijkheid ten enen male ontbreken. Bij herlezing vechten woede en teleurstelling om voorrang: woede over de onbeschaamdheid van deze modieuze pose en teleurstelling over de verspilling van talent (dat Du Gardijn zeker bezit, zie boven) door in deze bundel zo mijlenver verwijderd te (willen) blijven van de persoonlijkheid van de dichter.
Achterin de bundel komt een aantal gedichten voor dat duidelijk in verband staat met de inhoud van Du Gardijn's roman "Nachtzwemmen". Dit is zo ongeveer de ergst denkbare vorm van "intertekstualiteit" die er bestaat. Had dan het lef gehad om tussen de hoofdstukken van de roman zelf deze gedichten op te nemen.
Tenslotte viel mij op dat in het gedicht "Majorettes" (dat inmiddels "!" is gaan heten) de enige passage die ik in de vorige versie mooi vond is vervangen door een die even lelijk is als zijn omgeving. Consistent is het, maar dat is dan ook alles.
Als Du Gardijn zich wil vermommen als "dichter" is dat zijn goed recht, maar een stommiteit blijft het. Je kunt beter zwijgen dan je door publicatie van een pose onherkenbaar maken. Dat hij het spel meespeelt tot en met het voorlezen op een podium, om vervolgens als uitgestorven diersoort te worden uitgestald via YouTube, geeft aan dat hij ver heen is.
Als diergaarde presenteert Du Gardijn zijn lezers een bedroevend allegaartje van halve kadavers, beschreven vanuit een slecht gespeelde hang naar exotisme. Gelukkig bezat ik een retourtje naar de frisse buitenlucht.